Het pistool
De onderdelen van het pistool kan men opdelen in een aantal hoofdgroepen: de sledegroep, de loop, de kastgroep en de patroonhoudergroep. De ruwe opbouw van een pistool wordt geillustreerd in Fig.
2.1.slagpin
slagpinveer
uitwerper
recuperatorveer
trekker
Figuur 2.1: Een schets van een pistool.
De sledegroep
In de sledegroep vindt men een aantal onderdelen die sporen nalaten op de uitgeworpen huls:
• De slagpin is een zeer hard stalen staafje met een verharde, smalle, ronde top en is verantwoor- delijk voor de slag op het slaghoedje van de huls bij het afvuren van een patroon. De slagpin is uitgerust met een veer of er kan een afzonderlijke hamer zijn die slaat tegen de achterzijde van de slagpin.
• De patroontrekker zorgt ervoor dat de huls uit de kamer getrokken wordt na het afvuren.
• De uitwerper werpt de huls zijdelings uit de slede wanneer men herlaadt.
De loop
Onder de loop verstaat men de ronde buis waar de kogel door gaat eens afgeschoten. Aan de bin- nenzijde van de loop zijn er groeven aangebracht, trekken en velden genoemd. Die zorgen voor de draaiende beweging van de kogel in de loop en geven hem een grotere stabiliteit in zijn vlucht. De trekken zijn ontstaan door verwijdering van materiaal in de loop of door vervorming bij fabricatie. De trekken en velden zijn belangrijk in het forensisch onderzoek aangezien ze sporen, parallelle lijnen of striae, nalaten op de kogel bij zijn doorgang in de loop. Verdere informatie over sporen op kogels is te vinden in [5]. Het eerste stuk van de loop, de kamer, is een iets dikker stuk om te kunnen weerstaan aan interne grote gasdrukken. Het is daar waar de patroon voor het afschieten wordt ingeduwd door de slede of afsluiter.
2.2.2